Celbiologie II: regulatiemechanismen (B-KUL-K01D7A)

Examenvragen (prof. Baes)
ECTS (3 stp)

  • Waarom zijn suikerketens op plasmamembraaneiwitten altijd gericht naar de extracellulaire zijde van de cel?
  • Wat is de rol van retinoblastoma eiwitten in de regulatie van de celcyclus?
  • Leg het experiment uit dat geleid heeft tot de identificatie van factoren die essentieel zijn bij de differentiatie van fibroblasten tot mature spiercellen.
  • Hoe worden eiwitten aan de plasmamembraan verbonden en welke structuren nemen ze hierbij aan?
  • Geef de signaaltransductieweg van EPO.
  • Geef de experimenten om na te gaan of een stamcel pluripotent is.
  • Kan een eiwit op verschillende locaties in een cel voorkomen? Hoe zou dit kunnen geregeld worden door targeting signalen?
  • Hoe houdt een cel zijn cholesterol concentratie in evenwicht?
  • Hoe bewerkstelligen CDK-cycline complexen de vooruitgang van de celcyclus?
  • Bespreek de vorming van vesikels en wat gebeurt er bij opname van een vesikel?
  • Bespreek de signaaltransductie van insuline vanaf zijn extracellulaire binding.
  • Stel men heeft een vervangmiddel voor EPO gevonden dat stabieler is in het bloed dan EPO zelf. Hoe kan men de capaciteit van de receptor voor die stof onderzoeken?
  • Een hormoon, T3, wordt door de schildklier in de bloedbaan vrijgegeven. Het heeft zijn effecten thv de hartcellen en het vetweefsel. Hoe zijn deze effecten tot stand gekomen?
  • Leg uit hoe we experimenteel kunnen bepalen of een bepaalde signaalsequentie van een eiwit noodzakelijk en/of voldoende is voor de juiste targeting ervan.
  • Door welke factoren wordt het apoptose proces geregeld?
  • Bespreek de verschillende modaliteiten hoe door extracellulaire liganden geactiveerde plasmamembraanreceptoren een intracellulair signaal veroorzaken.
  • p53 is de “bewaker” van de cel, verklaar waarom.
  • CFTR eiwit is een transportmolecule in de plasmamembraan. Leg uit welke weg dit eiwit heeft gevolgd vanaf zijn synthese op de ribosomen.
  • Toediening van nitroglycerine veroorzaakt pijn in de hartstreek door slechte bloeddoorstroming. Op welke wijze brengt dit geneesmiddel zijn effect teweeg?
  • Leg het experiment uit waarbij een kikkeroöcyt vergeleken wordt met een mutante gistcel.
  • Verklaar waarom 1 mutatie per kopie van 1 proto-oncogen aanleiding kan zijn tot de ontwikkeling van kanker terwijl 2 kopieën van een tumor supressor gemuteerd moeten zijn. Geef ook voorbeelden.
  • De subcellulaire lokalisatie van de glucocorticoïd receptor verandert nadat deze gebonden wordt door zijn ligand. Hoe?
  • Wat is atherosclerose?
  • Hoe wordt bepaald of eiwitten naar Golgi, lysosomen of plasmamembraan gaan of in het ER blijven?
  • Bespreek drie manieren waarop tumor supressoren hun functie uitoefenen en geef voorbeelden.
  • Waarom zijn intermediaire filamenten nodig voor de celopbouw?
  • Geef drie processen met small GTP bindende proteïnen.
  • Waarom zijn tumorsupressor genen vaak te linken met erfelijk belaste kanker? Geef voorbeelden.
  • Geef de huidige hypothese voor het ontstaan van Alzheimer.
  • Geef drie voorbeelden van oncogenen en hun werking.
  • Welke zijn de second messengers van de G-proteïne gekoppelde membraanreceptoren?
  • Begrippen
    • CAG
    • Intramembranaire proteolyse
    • Morphogen
    • Volwassen stamcellen
    • Rb eiwit
    • Integrine
    • Prion
    • GPI anker
    • Sfingolipide
    • Proteoglycaan
    • p53
    • Therapeutisch klonen
    • APC
    • Gamma-secretase
    • Alfa oxidatie
    • Keratine
    • A-bèta-peptide
    • Gleevec
    • Dolichol
    • Desmosoom
    • Pluripotente stamcel
    • BRCA1-gen
    • C20:5n-6
    • Cadherine
    • Hox gen
    • Knock-out muis
    • Ceramide
    • Dyneïne
    • TGF beta
    • Prenylatie
    • Variant van Corytzfelt-Jakob
    • Fibronectine
    • Blastocyst
    • Abc transporters
    • PLC
    • IP3
    • Notch
    • Fluorescentie microscopie
    • ER stress
    • Lipid raft
    • Glycosaminoglycanen
    • APP
    • Hypercholesterolemie
    • Fosfolipase C
    • LXR